Frank Stokes (1877 of 1888 – 1955)

Van sommige van de pioniers van de zal de naam altijd herinnerd blijven. Denk aan muzikanten als Blind Lemon Jefferson, Tampa Red en Robert Johnson. Andere namen verdwijnen jammer genoeg in de vergetelheid. Eén van die namen is helaas Frank Stokes. Al voor de Eerste Wereldoorlog speelde hij op feesten en barbecue en verdiende hij wat geld door op de straathoeken van Memphis te spelen. Naast blues beschikte hij over een flinke catalogus aan pop- en dansliedjes, waarmee hij zijn toehoorders kon vermaken. Maar goed beschouwd stond hij letterlijk aan de wieg van de blues en zijn invloed op andere artiesten was zo groot dat hij de ‘Creator of the Memphis Blues’ wordt genoemd.
Frank Stokes is geboren in Shelby County, Tennessee, zo’n kilometer of drie ten noorden van de grens met Mississippi. Er is onduidelijkheid over zijn geboortejaar. Zijn dochter gaf samen met andere bronnen het jaar 1888 aan, terwijl de oproep voor militaire dienst voor de Eerste Wereldoorlog 1877 als jaartal aangaf. Zijn ouders overleden toen hij nog kind was en Frank werd door zijn stiefvader in Tutwiler, Mississippi opgevoed. Al jong leerde hij gitaar spelen. Na een verhuizing naar Hernando, Mississippi in 1895 kwam hij in aanraking met gitaristen als Jim Jackson, Dan Sane en Robert Wilkins, die daar woonden. Rond de eeuwwisseling werkte Stokes als smid, in de weekenden reisde hij met Dan Sane naar Memphis om daar op straat en op de roemruchte Beale Street te spelen. Halverwege de jaren 1910 sloot Stokes zich aan bij de Doc Watts Medicine Show, waarmee hij door de zuidelijke staten van de VS trok. Er wordt beweerd dat hij zich gedurende die tijd als artiest tot een professionalisme ontwikkelde, waarmee hij zich onderscheidde van anderen. Uit de verhalen bleek dat hij een indrukwekkende persoon was. Ruim 1.80 meter lang, zo’n 110 kilo zwaar en door zijn werk als smid was hij flink gespierd.

Rond 1920 vestigde hij zich in Oakville, Tennessee, waar hij zijn beroep van smid weer opnam. En hij bleef muziek maken en trad op dansavonden, picknicks, op feesten en in kroegen op. Samen met zijn oude maat Dan Sane werd hij onderdeel van Jack Kelly’s Jug Busters. Met zijn tweeën speelden zij als de Beale Street Sheiks op Beale Street en in augustus 1927 maakten zij onder deze naam hun eerste plaatopnamen voor Paramount Records. Uiteindelijk namen zij 38 nummers op voor Paramount en Victor Records. In februari 1928 maakten de Beale Street Sheiks samen met Furry Lewis opnamen en in augustus van dat jaar zat Stokes opnieuw in de studio van Victor. Daar nam hij zowel solo en samen met Dan Sane. Het volgende jaar waren zij als Beale Street Sheiks opnieuw bij Paramount en in september van dat jaar zou Frank Stokes bij Victor zijn laatste plaatopnamen maken. Deze keer zonder Sane, maar met Will Batts op fiddle. Onder zijn opnamen horen nummers als "I Got Mine" en "Tain't Nobody's Business if I Do", die uiteindelijk bluesklassiekers zouden worden en door vele andere muzikanten zouden worden uitgevoerd. De opnamen met Will Batts worden wel beschouwd als de meest bijzondere stukken uit zijn repertoire.
Stokes kreeg te maken met het probleem dat hun muziek als te ouderwets werd ervaren door het platenkopende publiek. Ook het feit dat de depressie van 1929 tot 1939 net was begonnen en het publiek weinig geld te besteden had, heeft niet echt geholpen. Frank Stokes bleef echter een populaire live-artiest, die in de jaren dertig en veertig optrad bij het circus van de Ringling Brothers, in tentshows en op andere feesten en barbecues. In de jaren veertig verhuisde hij naar Clarksdale, Mississippi, waar hij in de plaatselijke kroegen optrad. Af en toe speelde hij daar samen met Bukka White. Dit hield hij vol tot 1952 toen hij gedwongen door ziekte en zijn leeftijd met optreden moest stoppen.
Op 12 september 1952 overleed hij in Memphis aan de gevolgen van een hersenbloeding. Frank Stokes werd begraven op Hollywood Cemetery in Memphis. In 2017 werd de man, die de ‘creator of the Memphis blues’ werd genoemd, opgenomen in de Memphis Music Hall Of Fame.
